Driftbuien bij peuters
Een peuter die gillend op de grond ligt is niet stout en niet verwend. Hij heeft een gevoel dat groter is dan hij zelf, en nog geen manier om dat op te lossen. Dat maakt het niet makkelijker om ernaast te staan.
Wat er op dat moment gebeurt
Tussen ongeveer anderhalf en vier jaar wil een kind heel veel zelf, en lukt dat nog lang niet altijd. Het wil iets, krijgt het niet, en heeft geen woorden om dat uit te leggen of om zichzelf te kalmeren. Wat er dan overblijft is het lichaam: schreeuwen, slaan, op de grond gaan. Een peuter kiest daar niet voor. Hij is er zelf ook door overvallen.
Dat is ook waarom uitleggen tijdens een driftbui meestal niet werkt: een jong kind is op zo’n moment veel minder goed in staat om uitleg te verwerken of rustig na te denken. Praten komt daarna. En er is goed nieuws: naarmate een kind meer woorden krijgt en andere manieren vindt om gevoelens te uiten, worden de buien bij veel kinderen geleidelijk minder.
Wat vaak helpt
- Erbij blijven, en minder zeggen. Je aanwezigheid is het rustpunt, niet je uitleg. Rustig blijven zitten doet meer dan een goed gesprek.
- Benoemen wat je ziet, in twee woorden. „Je bent heel boos.” Niet om het op te lossen, maar zodat het gevoel een naam krijgt.
- Veiligheid eerst. Slaat of schopt hij, dan houd je dat tegen zonder er een tweede strijd van te maken. Soms is even ergens anders gaan zitten genoeg.
- Achteraf terugkomen. Als het over is, kort benoemen wat er gebeurde en wat hij volgende keer kan doen. Dat is het moment waarop hij iets leert.
- Kijken naar wat eraan vooraf ging. Honger, moe, te lang gewacht, te veel prikkels, een overgang van het ene naar het andere. Veel buien hebben eerder met de dag te maken dan met het moment.
- Keuzes klein maken. Twee opties in plaats van een open vraag. Een peuter die iets mag kiezen hoeft minder te vechten.
Wat vaak niet werkt
Niet omdat ouders het verkeerd doen, maar omdat het logisch voelt en toch averechts uitpakt: meepraten en blijven uitleggen, het gevoel wegwimpelen („niet zo boos doen”), toegeven halverwege de bui om het te laten stoppen, of zelf harder gaan praten. Bij dat laatste hoort ook: dat lukt niemand altijd. Dat je er zelf doorheen schiet, zegt dat je uitgeput bent, niet dat je een slechte ouder bent.
Als het thuis vastgelopen is
Soms weet je best wat er nodig is, maar eindigt elke dag toch op dezelfde manier. Dan helpt het om er iemand bij te hebben die rustig meekijkt naar wat er in jullie gezin precies gebeurt, en wat er haalbaar is — niet in theorie, maar bij jullie, met de kinderen die je hebt en de dagen die je hebt. Daar zijn meestal een paar gesprekken voor nodig.
Zit je ergens anders mee, of blijf je het gevoel houden dat er meer speelt, zeg dat dan gerust in de kennismaking. Dan kijken we daar samen naar.
Lees ook